Hoe wordt het geld besteed?

Er is 560 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de Digitaliseringsimpuls. Voor Fase 1 is 150 miljoen euro beschikbaar en onvoorwaardelijk toegekend. Het geld voor Fase 2 is voorwaardelijk toegekend, mits het programma succesvol Fase 1 doorloopt. Dit geld wordt op – grofweg – drie manieren ín instellingen besteed:

  • Er is een impulssubsidie beschikbaar voor alle instellingen om een Center for Teaching & Learning in te richten of uit te breiden. Dit is €500.000 per instelling. Daarbij wordt een cofinanciering van de instelling verwacht van ten minste 70%. Deze subsidies worden uitgekeerd via een regeling onder beheer van DUS-I, het subsidieloket van het ministerie van OCW. De inhoudelijke criteria voor toekenning en de leden van de beoordelingscommissie worden door de stuurgroep van het programma – en dus door de onderwijsinstellingen – bepaald.
  • In het programma worden afspraken gemaakt over het inrichten van de (ict-)organisatie die voor alle onderwijsinstellingen gaan gelden. Voor alle 109 onderwijsinstellingen is ondersteuning beschikbaar om volgens die afspraken te werken. Hoe deze ondersteuning beschikbaar komt, wordt in de voorbereidingsfase uitgedacht. Dit kan in verschillende vormen (kleine stimuleringsregeling, ondersteuning in de vorm van tijdelijke adviseurs, etc.) zijn.
  • Daarnaast investeren we in experimenten met nieuwe manieren om het onderwijs vorm te geven en in onderzoek naar de nieuwe manieren van onderwijs aanbieden en leren. Deze worden georganiseerd vanuit de transformatiehubs, (experts uit) instellingen kunnen zich melden om hieraan mee te doen.
  • Een groot deel van het budget is een reservering voor de volgende fases van het project. Die plannen zijn bewust nog niet verder uitgewerkt. In de eerste twee jaar ontdekken we wat werkt. We houden in de gaten welke nieuwe ontwikkelingen om aandacht vragen, zodat we daar tijdig in kunnen investeren. Hierover hebben we nauw contact met alle betrokkenen: de onderwijssectoren, werkgevers, werknemers, ministeries en natuurlijk de beoordelingscommissie van het Nationaal Groeifonds.